Gedaan met laden. U bevindt zich op: EVC-traject voor beroepskwalificatie huishoudhulp zorg

EVC-traject voor beroepskwalificatie huishoudhulp zorg

Inhoud beroep

De huishoudhulp zorg (VKS-niveau 3) zorgt, met oog voor de zorgnood van de cliënt, voor het dagelijkse onderhoud en de schoonmaak van de woning om een aangename leefomgeving te behouden en/of te herstellen zodat de cliënt thuis kan blijven wonen.

De huishoudhulp zorg:

  • verleent huishoudelijke hulp volgens de kwaliteitsnormen en handelt daarbij volgens de professionele gedragscode, waarbij er duidelijk en adequaat gecommuniceerd wordt met de klant en hij/zij het welbevinden van de cliënt ondersteunt;
  • plant en organiseert de huishoudelijke taken in samenspraak met de cliënt;
  • doet boodschappen;
  • bereidt maaltijden;
  • wast en strijkt kledij en ander textiel en voert klein verstelwerk uit;
  • dekt bedden op:
  • maakt de woning schoon en sorteert en verwijdert huishoudelijk afval;
  • zorgt voor het woon- en leefklimaat van de cliënt waarbij hij/zij oog heeft voor de veiligheid.

Info EVC-traject

In de EVC-standaard huishoudhulp zorg(PDF bestand opent in nieuw venster) vind je gedetailleerde info over het EVC-traject.

Als je bij een EVC-testcentrum je ervaring als huishoudhulp zorg wil aantonen, doe je dat aan de hand van een praktijkproef en een rollenspel.

De instructietaal bij de proeven is het Nederlands.

Je moet:

  • de planning van de huishoudelijke taken opmaken;
  • een hoofdgerecht van een maaltijd voor de cliënt bereiden;
  • kledij en ander textiel van de cliënt verzorgen;
  • minimum 1 ruimte en minimum 2 sanitaire voorzieningen (een douche, toilet) schoonmaken;
  • boodschappen aankopen;
  • de afgewerkte en eventuele openstaande taken aan de cliënt rapporteren;
  • omgaan met een onvoorziene omstandigheid met impact op de planning;
  • omgaan met een vraag van een cliënt waarbij de veiligheidsvoorschriften niet worden nageleefd;
  • omgaan met een vraag van een cliënt waarbij het beroepsdomein niet gerespecteerd wordt;
  • omgaan met een situatie van ongepast gedrag;
  • empathisch omgaan met de cliënt met een minimale zorgnood;
  • samenwerken met de leidinggevende en de betrokken zorgactoren;
  • helpen in noodsituaties en de EHBO-richtlijnen toepassen.